Voor bestelauto’s die uitsluitend worden gebruikt voor goederenvervoer hoeft u als ondernemer geen bijtelling bij uw winst te tellen. Het aanwezig zijn
van twee voorstoelen maakt het niet gemakkelijk om aan te tonen dat u de bestelauto uitsluitend voor goederenvervoer gebruikt. Dat blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem.Een ondernemer dreef een stukadoorsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Tot zijn ondernemingsvermogen behoorden in 2002 twee bestelauto’s. De regeling voor de bijtelling van de auto van de zaak voor privégebruik was in 2002 als volgt. In principe gold een bijtelling van 25% van de waarde van de auto, tenzij kon worden aangetoond dat de auto op jaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé werd gebruikt. Voor de bestelauto waarvan het privégebruik werd 'beperkt door de aard en inrichting' gold een percentage van 10. Bestelauto’s die uitsluitend geschikt waren voor goederenvervoer waren geheel uitgezonderd van een bijtelling (dat is onder de huidige wet ook nog zo).
Kwantitatieve toets?
Naar aanleiding van een boekenonderzoek telde de inspecteur Voor bestelauto’s die uitsluitend worden gebruikt voor goederenvervoer hoeft u als ondernemer geen bijtelling bij uw winst te tellen. Het aanwezig zijn van twee voorstoelen maakt het niet gemakkelijk om aan te tonen dat u de bestelauto uitsluitend voor goederenvervoer gebruikt. Dat blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnh10% van de cataloguswaarde van die bestelauto’s bij wegens privégebruik van de auto’s. De ondernemer was het hier niet mee eens en ging in beroep. Volgens hem waren de bestelauto’s uitsluitend geschikt voor goederenvervoer, waardoor zij geheel uitgezonderd waren van een bijtelling. De rechter besliste echter dat de bestelauto’s – die over twee voorstoelen beschikten – niet uitsluitend geschikt waren voor goederenvervoer.
Daarnaast had de ondernemer niet aannemelijk gemaakt dat hij de auto’s voor minder dan 500 kilometer privé had gebruikt. De ondernemer ging in hoger beroep. Hierbij stelde hij een zogenoemde ‘kwantitatieve toets’ voor. Deze hield in dat aan de hand van de inhoudsmaten van de auto’s moest worden bepaald of het deel dat voor goederenvervoer werd gebruikt meer bedroeg dan 90% van de totale inhoud. Het hof was het daar niet mee eens, omdat deze toets ten onrechte ervan uitging dat er een ondubbelzinnige scheiding kon worden gemaakt tussen delen die voor goederenvervoer en delen die voor personenvervoer geschikt waren. Als voorbeeld gaf het hof de bestuurdersstoel; deze kon zowel dienstbaar zijn aan het goederenvervoer als aan het personenvervoer.
Privéritten
De ondernemer probeerde het ook nog met een ‘functionele benadering’, maar ook deze werd door het hof afgewezen. De noodzaak om ten behoeve van het bedrijfsproces werknemers te vervoeren met de bestelauto’s stond er niet aan in de weg dat er zowel tijdens zakelijke ritjes als tijdens privéritten sprake was van personenvervoer. Het hof concludeerde dan ook dat de bestelauto’s ook geschikt waren voor privégebruik. De bijtelling van de inspecteur bleef dus in stand.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
Nieuws